|
|||||||||||
Terug naar overzicht
Simone Ambrosin br> Ik spreek Simone Ambrosin waar je een kok eigenlijk altijd zou moeten spreken: in zijn eigen keuken, thuis. Simone is een Italiaan die inmiddels al weer langer in Nederland heeft gewoond dan in de streek waar hij is opgegroeid, het Lido di Jesolo bij Venetië. Zijn herkomst is echter nog steeds duidelijk aanwezig in zijn stijl van leven en koken. Hij zal me vertellen over de boottochten met z’n vader op de lagune van Venetië, de boerderij van opa waar hij zelf salami leerde maken en natuurlijk de vele toeristen die iedere zomer het familiepension bezochten. En dat alles terwijl de bouillon voor de risotto staat te pruttelen en de polenta op de grill ligt, wat een mooie middag bij Simone thuis. Simone Ambrosin heeft in Amsterdam bij bijna alle goede Italiaanse
restaurants gewerkt, van Toscanini aan de Lindengracht, tot Il Piacere
op de Kloveniersburgwal. Inmiddels is hij echter vooral de man (samen
met zijn partner Adriano Paolini) van het succesvolle Segugio in
de Utrechtsestraat. Culi-goeroe Johannes van Dam beschreef het als
‘oh, oh, wat lekker’ en reserveren is een absolute noodzaak.
Toch is nu ook daar een einde aan gekomen. Simone beschrijft het
vak van kok als een nomadenbestaan, van Italië via Oostenrijk
naar Londen en ten slotte Amsterdam, van Toscanini via D’Antica
en Il Piacere naar Segugio, ziet hij nu uit naar een nieuwe fase.
Hij is vader geworden, wil meer rust en straks koken voor zijn gasten
als waren het vrienden. Zittend aan lange houten tafels zullen zij
genieten van simpelere gerechten. |
|
|
![]() "Ik was vijf en kreeg een langoustine, zo rauw uit het water. Krak, pof en eten." |
|
|
|
Van schaamte naar sterrendom
Hij kan het zich nog goed herinneren hoe hij als achttienjarige
in Amsterdam werd ontvangen als kok. ‘Toen ik hier kwam in
de jaren tachtig kende men alleen maar pizza, lasagne en spaghetti
bolognese. Als ik trots vertelde dat ik kok was, dan was het: ‘Horeca,
hóreca?’ Je moest je eigenlijk schamen dat je kok was.
Het was zeker niet de gelukkigste periode van mijn leven. In Italië
zijn de mensen trots op hun baan als kok of in de bediening. Het
is daar een echt beroep. Hier was het toch een beetje een bijbaantje.’
Het contrast met de huidige tijd kan’ eigenlijk niet groter
zijn. Toen hij in 2000 in Londen terechtkwam werd hij plotseling
behandeld als star. ‘De rijkdom was toegenomen. Ik werd ingehuurd
door adellijke families om te
koken voor feesten tijdens het jachtseizoen. Daarnaast zijn de mensen
avontuurlijker gaan eten’, beschrijft hij. ‘Toch laten
ze de fegato vaak liggen. Terwijl je juist de bijzonder gerechten
moet leren eten.’ Als voorbeeld vertelt hij hoe hij met vader
zijn eerste rauwe langoustine at, ‘ik was vijf, op de lagune
met mijn vader, in ons bootje. Ik kreeg een langoustine, zo rauw
uit het water, “krak”, “pof” en eten. Ik
wilde niet, maar mijn vader zei eet maar en je zult het nooit vergeten.
Hij heeft gelijk gekregen! De lagune is nu helaas te vervuild, veel
vis vind je er niet meer.’
Amsterdam en Venetië
De ontwikkeling van een echte eetcultuur merkt hij ook aan zijn
Neder landse collega’s. ‘Vroeger stond je in de keuken
met alleen maar buitenlanders, Italianen, terwijl op het laatst
bij Segugio ik de enige Italiaan in de keuken was te midden van
de Nederlanders.’ Overigens maakt dat het niet altijd makkelijker
vertelt hij. ‘In mijn jeugd, als mijn vader wat zei, dan was
dat wat er gebeurde. Daar discussieerde je niet over. Dat gold ook
voor de chef in het restaurant, mijn oma. In Nederland is dat echt
anders. Het is altijd ‘ik mag het toch vragen’, ‘ik
mag het
toch zeggen’, ‘maar, maa
![]() |
"#" |
Een nieuwe zomer
In zijn nieuwe restaurant wil hij straks nog veel meer de Italiaanse
manier van samen eten en samen zijn naar voren laten komen: ‘Inderdaad,
houten tafels, simpele gerechten.’ Hoe groot de nieuwe zaak
moet gaan worden, daar is hij nog niet over uit. Het leven van een
kok, en vooral dat van Simone Ambrosin, lijkt op dat van een nomade.
Het kenmerkt zich door onrust. Vandaar ook dat hij nu even een stap
terug wil doen, om daarna weer verder te gaan. Het ritme van de
drukke
zomers afgewisseld met de stille winters uit zijn jeugd, lijkt hem
gegrepen te hebben. Er komt telkens weer een nieuwe zomer, een nieuwe
uitdaging. De naam Segugio was ook niet zomaar gekozen. Het betekent
speurhond of rechercheur. De Segugio is de hond die in de Piëmonte
naar truffels zoekt. Ook de kok Ambrosin blijft zoeken: ‘Wat
ik vroeger heerlijk vond, smaakt me nu heel anders, het is een ontwikkeling.’
Godenspijs
Eindelijk! We gaan eten, de risotto heeft hij klaargemaakt met inktvisinkt,
maar ook de beroemde Baccala en de Polenta worden neergezet. Praten
over eten en Italië is mooi, proeven is beter. Ik vraag of
er boter of room door de Baccala zit. Nou nee dus. ‘Ik gebruik
absoluut geen room. Vroeger was het in Nederland: zalm en room,
en alles is lekker. Op die manier kook ik niet!’, zegt hij
beslist. Lekker is het in ieder geval wel. De risotto is stevig
en gemaakt van Riso Superfi no Carnaroli uit de Veneto, de enige
rijst die Simone geschikt acht voor zijn risotto. Zijn moeder woont
nog steeds op het Lido. Soms als hij langsgaat, gaat hij weer met
een bootje vissen in de lagune. Kritiek krijgt hij niet meer. Zijn
ouders zijn trots en vinden zijn succes fantastisch. ‘Mijn
vader heeft nog gestuukt in Segugio, Stucco Antico Veneziana. Je
moet het stuk vijf keer aanbrengen met een spatel, heel dun, maar
de glans die je krijgt is prachtig, bijzonder.’ In Venetië
is blijkbaar zelfs het stukwerk prachtig. Ook bij hem thuis glanzen
de muren inderdaad zoals ik nog nooit heb gezien. De sfeer van het
Lido di Jesolo, van Venetië en van Simone Ambrosin klopt. In
maart is hij gestopt bij Segugio en hij is inmiddels volop bezig
met zijn nieuwe zaak. Ik kan niet wachten tot deze opengaat. Waarom
niet als naam “Ambrosin”? Dat is immers de spijs van
de goden.